U bent hier  » Wadanog » Gerard Cox

Gerard Cox

‘Ik dacht: als ik oud ben, kom ik terug naar de stad. Nu is het zo veranderd’

Cabaretier Gerard Cox (78) groeide op in een gebombardeerde kale vlakte. Nu woont hij een kwartier rijden buiten Rotterdam, want hij vindt dat zijn stad is veranderd. ‘In Rotterdam-Zuid woont geen Nederlander meer, laat staan een katholieke.’

©Volkskrant Robert Vuijsje 2 juli 2018, 16:01
Vanuit de lobby van het Parkhotel wijst Gerard Cox in de richting van de Witte de Withstraat, even verderop in de Rotterdamse binnenstad. ‘Daar woonde ik tot 1975, die straat was toen aan het aftakelen. Nu is het hip. Wordt dat woord nog gebruikt? Ik woon al 43 jaar in de Hoeksche Waard, een kwartier hiervandaan. Aan Amsterdammers moet je dat uitleggen.

‘Ik dacht: als ik oud ben, kom ik terug naar de stad. Nu is het zo veranderd. Andere gewoonten, andere godsdiensten. Als jongen bracht ik in Rotterdam-Zuid driehonderd kranten rond. De Maasbode, een katholiek dagblad. In die buurt woont geen Nederlander meer, laat staan een katholieke. Naar mijn overtuiging zijn de Nederlanders die daar woonden in de steek gelaten. Zij mochten de multiculturele samenleving uitvinden. En nu kunnen we er niet meer over praten. Je wordt meteen uitgemaakt voor racist.’

De mensen die daar wonen zijn de huidige Rotterdammers.

‘Meer dan de helft is allochtoon. Dat woord is uit de mode, maar ik vind het wel een handige term. Ik loop door de stad en het kan ook Ankara zijn of Paramaribo. Als ze goed geïntegreerd zijn, maakt het geen zak uit. Met een Rotterdamse tongval, altijd leuk. Alleen weet ik niet of ze het Rotterdamse gevoel hebben.

‘Een jaar geleden stond de hele misjpooche hier op de Erasmusbrug omdat er iets was gebeurd in Turkije. Kinderen van 16 zeiden: Erdogan is onze leider. Ik weet niet of ze zich trots voelen een Rotterdammer te zijn. Wat krijgen ze te horen in de moskee, behalve dat wij christenhonden zijn? Die dubbele nationaliteit, daar begrijp ik ook niets van. Je bent dit of dat, je kunt niet allebei zijn.’

Waarom niet?

‘Daarom niet.’

Wie zegt dat?

‘Ik. In Amerika wil iedereen een Amerikaan zijn. Dan ben je wat. Niemand wil een Nederlander zijn. Een Turk willen ze wel zijn, kennelijk.’

Wat is het Rotterdamse gevoel?

‘Ik ben geboren in 1940, vlak voor de oorlog. Op Zuid, de Boerenzij heette het, met Brabanders en eilanders uit Barendrecht en Alblasserdam. Dat noemden ze een gemengde buurt. Ik kan me de bevrijding nog herinneren. We mochten weer van alles. Om te beginnen: de ruiten ingooien bij NSB’ers. Tot mijn 30ste was de hele binnenstad een kale vlakte. De moffen hadden alles gebombardeerd, alleen het Witte Huis en de Laurenstoren stonden er nog. Wij hadden geen stad.

‘En verder: het oude verhaal, enorme clichés. Geen woorden maar daden. De overhemden worden hier verkocht met opgestroopte mouwen. Nuchter en geen flauwekul. Amsterdammers die hier filmen, zeggen altijd dat het zo veel makkelijker gaat. In Rotterdam beloven we niets, maar we doen het wel. En nu moet ik oppassen. Bij alles wat ik nog zeg, roepen ze in Amsterdam: dat is jouw Rotterdamse minderwaardigheidscomplex.’

Zijn we beland bij het hoofdstuk 020?

‘We leven op een postzegel en ik heb meer gewerkt in Amsterdam dan waar ook. Maar als je het wilt horen: in de jaren zeventig werkte ik bij Lurelei met Eric Herfst, een geweldige man. Op een dag droeg ik een mooi kostuum. Eric vroeg waar ik dat had gekocht. In de Bijenkorf. Hij vroeg: op de Dam? Nee, op de Coolsingel. Daarna sprak hij de woorden: hebben jullie ook een Bijenkorf? Dat is voor mij de ergerniswekkende Amsterdamse arrogantie. Denken dat de wereld ophoudt aan het einde van de Overtoom.

‘Toen Jack Spijkerman nog Jack Spijkerman was, zat ik een keer bij hem op de radio. Hij vroeg waarom er geen Rotterdamse liedjes bestaan, behalve Ketelbinkie. Ik ben daar te lief voor, maar ik had moeten zeggen: dat jij ze niet kent, betekent niet dat ze niet bestaan.

‘Ik lees al zeventig jaar de Volkskrant. Mijn vader was een katholieke arbeider en het is gewoon de beste krant. Maar de Mokumse arrogantie die eruit opstijgt als een pislucht, dat is verschrikkelijk. In Rotterdam hebben wij de finish van de Roparun, een estafette vanuit Parijs voor het goede doel. Honderdduizenden mensen langs de kant. In de Volkskrant heb ik daar nog nooit iets over gelezen. Als in Amsterdam tien bootjes met versierde nichten door de gracht varen, staat het op de voorpagina. Alle kranten zitten daar nu. Die geschifte Belg is met de Nieuwe Rotterdamsche Courant na tweehonderd jaar verhuisd naar het Rokin. Hij wilde tussen zijn lezers zitten, zei hij nog.

‘Ik heb geen zin meer om een nieuw cabaretprogramma te maken. Anders zou ik wel iets willen doen dat keihard rechts en politiek incorrect is. Wat is cabaret? Het publiek een wortel voorhouden waarvan ze niet weten of ze hem wel lusten. De mensen op stang jagen, dat is leuk. Wim Kan maakte ooit een grap toen Nieuw-Guinea onafhankelijk zou worden. Hij zei: die Papoea’s moeten stemmen, hoe kan dat nou, dan moeten we ze eerst vangen. Dat is toch humor? Nu wordt gezegd: zo’n grap kan niet meer. Nou, dan zijn we lekker opgeschoten.

‘In de jaren zeventig  waren wij links, we zeiden dingen waar de meeste mensen het niet mee eens waren. Gelijke kansen voor iedereen, ontwikkelingssamenwerking, het milieu – daar waren wij allemaal voor. Nu vindt iedereen dat. Misschien hebben we toch wel iets bereikt.’